Slotermeer, Jan Postmahof 5' en omgeving - deel 1

Auteur: Ed Landman

Inleiding
Een flink aantal jaren geleden heb ik via het Geheugen van West mijn voormalig buurmeisje op kunnen sporen en ben toen ook begonnen om mijn geheugen te raadplegen wat ik mijzelf nog kon herinneren. Een tijdje terug zat ik voor het eerst weer eens op de website en las wat reacties door de jaren heen en vond het leuk te lezen dat verschillende oud bewoners van de buurt ons herinnerden aan het goochelen van mijn vader en kwam ook een aantal herkenningen tegen in wat er zoal geschreven werd. Dat bracht mij er toe om in mijn digitale archief te duiken en op te zoeken wat ik destijds al had opgeschreven. Dat bleek al best veel te zijn en heb ik de moeite genomen om het bij te schaven, aan te vullen en in het vat te gieten om te delen.

Ed Landman

Slotermeer, Jan Postmahof 5’ en omgeving - deel 1

In mei 1953 verhuisde mijn moeder van de Ceintuurbaan in Amsterdam-Zuid, waar zij bij mijn grootouders van vaderskant inwoonde, naar een vierkamerwoning op het Jan Postmahof 5’ in de nog in aanbouw zijnde tuinstad Slotermeer in Amsterdam Nieuw-West. Mijn vader studeerde aan de hogere scheepvaartschool en voer op de grote vaart op Zuid-Amerika en was meestal zo’n drie maanden van huis zodat hij meestal meer weg was dan thuis. Zwanger van haar derde kind had zij recht op de vierkamerwoning, de regel toentertijd was dat alleen de al geboren kinderen telde, anders had zij een kamer meer kunnen krijgen. Het gezin bestond op dat moment uit mijn moeder, vader, mijn oudere broer en ikzelf, twee jaar oud.

Herinneringen van de eerste jaren haal ik dan ook van de foto's en verhalen van mijn moeder.

Later kwamen er nog twee broers en een zusje bij. Mijn moeder heeft daar ruim 59 jaar gewoond en ikzelf tot oktober 1978. Dat is een aanzienlijke periode, waarbij natuurlijk door de jaren heen veel veranderde en er veel verschillende gezinnen rondom het pleintje met de speelplaats hebben gewoond. Ikzelf heb niet anders dan goede en fijne herinneringen aan het wonen op het Jan Postmahof en deel graag mijn herinneringen met jullie.

Toen wij in de woning trokken, was de omgeving nog een bouwplaats, zand, stenen, bouwketen en bouwvakkers. Een grote zandbak voor de deur, wat wij als kinderen natuurlijk prachtig vonden.

De buitendeur gaf toegang tot een gang met aan weerskanten de woningen nummers 5hs en 7hs. De beneden woningen waren toen alleen voor ouden van dagen. De trap naar de eerste verdieping, waar wij woonde, bestond uit twee stukken trap met een platje ertussen, waardoor de trappen eigenlijk zeer comfortabel waren. Op de eerste verdieping twee huisdeuren 5’ en 7’ en de trap naar boven voor 5’’ en 7’’. Die huisdeuren gaven toegang tot een vrij ruim halletje met veel deuren, de keukendeur, toiletdeur, twee kleine kamers, meterkast en de deur die toegang geeft tot de huiskamer met daaraan grenzend de slaapkamer voor de ouders.

Een langwerpige keuken met de twee granieten bladen en de zware witte keramieken spoelbak ertussen en het fasto geisertje erboven. Aan het einde de deur die toegang gaf aan een balkon, hoewel wij het nooit over een balkon hadden, maar over de waranda en de deur naar de badkamer die dus direct aan de keuken grensde, waardoor mijn moeder kon koken en ons tegelijkertijd in het bad kon doen. Het bad, bestond uit een lavet, een grote geëmailleerde witte bak met een platje. Vergeleken met de bakken die gebruikelijker waren in die tijd, granieten conische ronde bakken met een wasmachinemotor eronder, was dit lavet zo ruim dat er makkelijk twee of drie peuters in konden. Mijn moeder heeft het gebruikt tot het, in de jaren 90, totaal versleten vervangen werd door een gewone douche. In het halletje zat, tegen de muur waarachter de badkamer zat, een luikje waarachter de afvoer van het lavet zat en waar de verfspullen en terpentine e.d. in opgeborgen waren. In elke kamer zat een ingebouwde kast met een ijzeren kastdeur, ook de raamkozijnen waren van ijzer.

In de winter dikke ijsbloemen op de ramen en op de ijzeren kozijnen dikke plakken aangegroeid ijs. Beneden aan de voorkant van het gebouw zitten de boxen, ingebouwde bergruimten, waar de fietsen enz. in stonden. Hierin was ook het kolenhok, een gemetseld muurtje met een gat met schuifluik in het midden. Hierin werden de losse kolen gestort en konden we via dat luikje de kolenkit vullen. Later is het muurtje gesloopt en werden de kolen in zakjes gebracht. De overgang naar gas maakte ook dat overbodig. Het is een wonder dat we alle fietsen en later nog twee brommers erin kwijt konden. Als je fiets niet als eerste eruit kon, moest je eerst alle andere fietsen eruit halen.

Om zeven uur ‘s ochtends porde mijn moeder de kachel op en werden we wakker van dat geluid. Melkman de Boer van de Fockstraat bracht de melk boven en omdat mijn moeder niet op rekening kocht, werd er handje contantje afgerekend. Op de waranda hadden we een zg vliegenkast, een houtenkast met een deurtje van horrengaas, de voorloper van de koelkast. In de winter droeg de melkman wollen handschoenen zonder vingers, dat vonden wij altijd zo raar.

Wij zaten tijdens het koken vaak in het lavet, kon ze ons mooi in de gaten houden en waren we van de vloer om dan met een op de kachel voorverwarmde levensgrote handdoek voor de kachel afgedroogd te worden. Om vijf uur aan tafel en dan naar bed of zoals mijn moeder zei, overdag is voor de kinderen de avond is voor mij en omdat mijn vader op zee zat kon dat ook makkelijk. Later mochten we naar de radio luisteren, het klokje van zeven uur en dús en Paulus de boskabouter. De één om kwart voor acht naar bed, de ander om acht uur en de jongere lagen er om zeven uur al in. “Ik had meer tijd voor mezelf toen jullie jong waren dan toen jullie ouder werden”, zei mijn moeder altijd.

De woning kijkt aan de voorkant uit op een pleintje met speeltoestellen en een zandbak en voordat het lelijke gebouwtje van drogist van de Vlucht er stond, ook direct op de kruising Fockstraat/Vlugtlaan. De achterkant kijkt de Vlugtlaan af en kijkt uit op een plantsoentje, dat heel lang alleen maar uit gras met een paar bomen heeft bestaan. Het bordje met verboden op het gras te lopen, staat er al lang niet meer.

De schillenboer met paard en wagen, de bakker, melkboer, groenteboer, scharensliep, enz. kwamen nog langs de deur. De vuilnismannen haalde de verzinkte vuilnisemmers nog van boven naar beneden en met een extra abonnement kwam er een fietskar met een ton water en werd de bak schoon gemaakt en ondersteboven tegen de stoeprand te drogen gezet. Ik hoor nog de ratel waarmee de vuilnisophalers zichzelf aankondigden. Zondags een kar met joods zuur. De roep van de verkoper galmde luid over het pleintje tussen de huizen. Omdat mijn vader zeevarend was en met een taxi naar de haven ging als hij weer naar zee moest, was het een luxe dat er op de Fockstraat een taxistandplaats was, die wij vanuit het raam konden zien. Toen het uitzicht nog vrij was, konden we zwaaien om aan te geven waar de chauffeur naar toe moest, later was het gewoon twee keer links en dan het pleintje op en dan wist de chauffeur het ook wel te vinden. De vader van een oom, die taxichauffeur was, at regelmatig zijn boterhammetje bij ons op en kon vanuit ons raam zijn taxi en de klanten in de gaten houden.

Per portiek woonden er 6 gezinnen. Beneden in de tweekamer woningen oudere echtparen en verder over het algemeen kinderrijke gezinnen. Op 7hs woonde toen mevrouw Dekker waarvoor ik, toen ik wat ouder was, de tuin wel maaide en omdat ik geen geld wilde een chocoladereep van haar kreeg. Naast ons eerst de familie de Lange en later familie van Bergen, waar toen ook hun tijdelijke pleegdochter Yvonne bij kwam wonen. Met mevrouw van Bergen, later onder haar meisjesnaam Tini Roos, heeft mijn moeder heel lang contact gehad.

Op 7’’ woonde de familie Slierendrecht, waarvan de oudste zoon, Martin, bij mij op de lagere school zat. Zij hadden vrij vlot televisie, waardoor wij als jongetjes daar Ivanhoe mochten kijken en daarna met onze houten zwaarden de trap weer af denderden. Later kwam daar de familie Smit wonen. Hun zoon Ruud deed aan wielrennen en vader Smit werkte bij drukkerij Tetterode op de Bilderdijkstraat, waar ik later met de LTS nog eens op excursie ben geweest. Een van de eerste auto’s in de straat was van buurman van Bergen, daar liep de hele buurt voor uit. Verder met alle buurkinderen op woensdagmiddag en zaterdagmiddag televisie kijken bij echtpaar Klaver verderop in de straat, Daar genoten we van dappere Dodo, tante Hanny en luipaard op schoot. In de lage huisjes aan de Tourton Bruynstraat woonde ook de familie Lusink, waar mijn moeder heel lang contact mee heeft gehad. Ze maakten kennis bij dokter Boonstra in de wachtkamer en dat klikte blijkbaar wel. Wij noemde mevrouw Lusing eigenlijk nooit zo, wij hadden het altijd over “Janneman z’n moeder”.

Ondertussen was ook de speelplaats aangelegd, waarvan wij pas veel later begrepen dat het een ontwerp was van Aldo van Eyk, maar waar de hele omgeving gretig gebruik van maakte.

Spelletjes doen als; stand in de wand, tikkertje, stoepen, verstoppertje enz. Op het grote plein, waar nu het gebouwtje met het zwembadje staat, deden we boompje verwisselen en eens per jaar was er een buurtfeest, dan kwam er een platte wagen met een tent erop, waarin een orkestje zat, hekken erom heen en er werd gedanst.

Doordat we vrij uitzicht hadden op de kruising, konden we ook de vele ongelukken zien. Een motorrijder die een schuiver maakte van wel honderd meter, een volkswagenbusje dat vijf keer over de kop ging en of daar doden of gewonden bij vielen wist je niet eens. Om de kruising veiliger te maken kwamen er toen eerst knipperbollen en pas later stoplichten. De halte van Lijn 13 naar het Centraalstation was ook voor de deur en de trams hadden toen nog een brievenbus achterop waar wij de luchtpostbrieven naar mijn vader in moesten doen, want dat ging dan vlugger dan via de gewone brievenbus en op de hoek aan de overkant stond de grote blauwe gemeentegirobus.

Aan de overkant van de Vlugtlaan kwamen al gauw heel veel soorten winkels waar van alles te koop was. Winkels vanaf de Bos en Lommer tot aan de Slotermeerlaan. Bij Jamin dubbeldik ijs en later limlolies halen. Het snoepje van de week, jawel ook de Gruijter zat op de Vlugtlaan en bakker van Harte later Koeleman, een warme bakker zoals dat nu heet. Een doorgebakken Amerikaan, een panne brood, maar meestal een knapperig knip. De donkere harde korsten waren er al af voordat ik thuis was. Kon ook, omdat het brood verpakt werd in een vel dun papier wat van een grote rol op de toonbank werd afgetrokken. Gesneden brood was duurder en hadden we eigenlijk nooit, die sneetjes waren ook zo dun.

De drogist van Dalen, Kraaipoel de elektrawinkel en het sigarenmagazijn van Van Vuuren, die had achter de winkel ook een bibliotheek, bruin gekafte boeken op stellingen. Later had hij er gokkasten staan. Wij lazen veel en buiten de openbare bibliotheek bij plein 40-45 waar we ook lid van waren, haalde we hier toch ook regelmatig boeken. Bij de openbare bibliotheek moest ik wel drie keer per week nieuwe boeken halen, je mocht er maar drie per keer meenemen en dat was voor mij te weinig. Nu gaf dat niet, we gingen praktisch elke dag naar de markt op plein 40-45, kaas halen bij de stal van Schep en dan nog een halve warme Hemaworst. De fiets van mijn moeder of de kinderwagens werden bijkomstig gebruikt als pakezel, de boodschappen en de kinderen zaten of hingen er aan alle kanten aan. Die fiets sleet echt niet van het fietsen.

Twee speelgoedwinkels, Splinter op de ene hoek en Friedel aan de overkant van de Vlugtlaan, wat een luxe voor ons als kinderen. Robbinson schoenen bij de schoenwinkel van Van Trommelen, die had een speciale machine, daar stak je je voeten met schoenen aan onder en dan kon hij precies zien of je tenen wel genoeg ruimte in de schoen hadden. Naar de kapper op de Fockstraat, kort gedekt moest het van mijn moeder en weer terug gestuurd worden omdat hij er niet genoeg had afgehaald. Vlees bij slagerij Ultee of bij een van de andere slagers in de buurt. Bij drogist van Dalen, op de hoek van de Fockstraat en de Vlugtlaan, kon je petroleum halen voor de petroleumstelletjes die iedereen wel in huis had om op te koken of eten warm te houden. Ook stond daar in de winkel een hele grote weegschaal, waar je voor een dubbeltje je kon laten wegen.

Nylonkousen waren toen nog duur en werden weggebracht naar een atelier op de Vening Meinezlaan, daar werden dan, met een speciale machine, de ladders in de kous hersteld.

Regelmatig naar de Bos en Lommermarkt bij de kolenkit, pinda's halen bij Jan de pindaman, een marktkoopman met een hazenlip die op een pinda leek, je dacht dat het er bij hoorde en dat hij daarom de pindaman werd genoemd.

Op vier mei vanuit het raam kijken of iedereen wel stil stond en jawel zelfs de tram stond stil. Met de hele school naar de doden herdenking op plein 40-45. Er in optocht naartoe, met zwart omfloerste trommels. Het carillon dat speelde, die indrukken vergeet je niet. Op de schoolradio hoorspelen over het verzet, er bestonden maar drie soorten mensen tijdens die weken, goede Nederlanders, foute Nederlanders en rot moffen, het was geen tijd van nuances. Recht tegenover ons was een van de huisvaders blokhoofd van de Bescherming Bevolking, de BB. In een van de boxen daar was ook de opslag van het materieel en er werd regelmatig geoefend in de buurt, maar toch ook wel veel op en rond het pleintje.

Omdat mijn moeder met twee kleintjes aan de hand zeer onpersoonlijk werd ontvangen op de Fockschool, de openbare lagere school om de hoek, gingen wij naar de veel verder weg gelegen Koopmanschool. De consequentie daarvan was wel dat zij ons vier keer per dag bracht en haalde. Toen wij wat ouder waren gingen we natuurlijk alleen lopend naar school, op de fiets mocht niet. Een te kleine fietsenstalling en veel te veel leerlingen, de Fockstraat was de grens en die was, voor ons, precies een blok te ver.

Palmpasen met de hele school door de straten lopen met een kruis met een broodje in de vorm van een haan er boven op. Paas- en kerstspelen, ach je deed mee, maar veel deed het mij niet. Wat wel bijzonder was, dat er op het schoolplein een hele grote volière stond, met goudfazanten en een zilverfazant, die is een keer ontsnapt en zat op de dakrand bij een nabijgelegen woning. Ze hebben hem met moeite kunnen vangen.

Schoolzwemmen in het Sportfondsenbad West bij de Krommert en schooltuintjes bij de dijk.

Twee keer de vijfde klas betekende ook twee jaar schoolzwemmen en twee jaar schooltuinen. Mijn moeder vond dat heerlijk, veel bloemen en groeten van eigen kweek.

De beheerder van de schooltuintjes had ook diverse soorten dieren, waaronder fretten. Een klasgenootje knuffelde het beest, die plots uithaalde en zich vastbeet in haar wang. Met moeite kregen ze de bek open om het los te maken.

Van de lagere school herinner mij eigenlijk alleen Juf Beukenkamp. Wij hebben, met de hele klas, bij haar huwelijk met een mijnheer Knoop, nog als een soort erewacht bij het stadshuis gestaan.

De Koopmanschool bestond eerst uit diverse noodgebouwen. Gymnastiek kregen we in een noodkerk. Gym op een houtenvloer en op blote voeten, dat betekende ook splinters in je voeten. Na een eeltpit mocht ik als enige gymschoenen aan. In de rij op lengte, beginnen met hardlopen rond de zaal en dan oefeningen en dan spel. Veranderen was er niet bij, tot en met de middelbare school bleef dat hetzelfde. Lagere school, lts en mts, verschil in gym bestond niet. De nieuw gebouwde school had een grote aula, waar elke week de hele school op maandagochtend bij elkaar kwam om de week te openen en vrijdagmiddag de week te sluiten. Ook werden hier Paas en Kerst gevierd met het opvoeren van de bijbehorende verhalen. Veel fantasie zat daar overigens niet bij. Mijn broer heeft het nog eens geschopt tot Jozef, maar ik kwam niet verder dan het zwaaien met een palmtak als toeschouwer bij de kruisgang. Ook op de bij de Koopmanschool behorende kleuterschool was dat niet veel beter. Verkleed als “boom” betekende daar, dat de kinderen achter een plaat karton stonden waarop een boom was geschilderd, zodat de ouders aan de knuisjes konden zien welke boom hun kind was.

De noodkerk, waar we gym in kregen, heeft ook eens een beetje in de brand gestaan. Het beeld van de brandweerman die met een fluitketel water tussen de houten delen liet lopen vergeet ik niet. Ook niet het slaan van de eerste paal voor de nieuwe school, honderden ballonnen lieten we op. Sneeuw in de buitenroosters van de kachels stoppen, dat siste leuk en rook op een bepaalde manier, dat vergeet je nooit. Net als de smaak en geur van levertraan uit een fles met een volledig vet doorweekt etiket omdat, zodra de R in de maand zat, alle kinderen na het eten op een rij eerst een lepel levertraan kregen, dan een lepel karvan cevitam er achteraan en als laatste een snoephartje met tekst toe, om de smaak weg te werken.

Rellen op de Vlugtlaan! De nozems met hun vetkuiven en brommers, verzamelde zich bij snackbar Eijpe. Wij, als kleine jongens, rennend van voor naar achter om te zien wat er gebeurde. De in een wit uniform geklede motoragent in de zijspan van de eveneens witte politiemotor mepte er met de lange lat lustig op los en na het keren op het gras aan de achterkant van ons huis en het afstaan van zijn zitplaats op de rand van de zijspan aan de bestuurder, scheurden ze vrolijk meppend op de nozems de andere kant weer op. Vraag me niet waar de rellen over gingen, ik weet het niet en vraag me ten zeerste af of de nozems het zelf wel wisten.

Als wij richting de markt op plein 40-45 gingen, haalden we bij de snoepwinkel, verderop op de Vlugtlaan, spekmuizen twee voor een stuiver. Kauwgum met stripverhaaltjes of filmsterrenplaatjes haalden wij bij melkboer de Boer en natuurlijk waren ook wij geabonneerd op de Sjors en Jimmie, de Donald Duck én de Pep die later de Eppo heette. Vechten wie welke het eerst lezen mocht en uit het raam kijken of de bezorger er al aan kwam, dan was je eerder dan je broers bij de brievenbus.

Toen we er vaker alleen op uit gingen, was de dijk hét speelterrein voor ons. Als Romeinse strijdwagenbestuurders, stonden we op het karretje en het pad op de dijk was genoeg uitgesleten om er met het karretje vanaf te scheuren. Het door mijn vader gemaakte karretje stopte precies voor de sloot, tenminste als je het goed deed.  

De sloop van de molen bij de Haarlemmerweg achter de katholieke kerk was prachtig. De balken in de sloot ook, maar het wegglijden van de balk en het tot je nek in de modder zakken vond mijn moeder niet zo geslaagd. Pas veel later, toen ik in 1975 verkering kreeg met de molenaarsdochter uit de andere molen de Twaalf honderd roe, begreep ik dat het de molen de Elf honderd roe was, die toen verplaatst werd naar Osdorp.

Rolschaatsen op het nieuwe asfalt van de Eliasstraat was veel lekkerder dan voor de deur op de gewone straatklinkers. Kijken naar de drumbands of naar de rolschaatsschool die op het voorplein van de katholieke kerk aan het oefenen waren, deden we ook wel. Regelmatig marcheerde die drumbands door de straten. Collectief kerstbomen verzamelen op het open terrein bij de van Gilsestraat, daar waar vroeger het gebouwtje van mijn kleuterschool stond met als hoofd juffrouw Ossebrugge. Met de brandweer erbij werd dan de gigantische stapel bomen in de brand gestoken. Wat een fik, zou nu niet meer gebeuren zo dicht tussen de huizen. Met Koninginnedag een groot vuurwerk bij de Sloterplas, dat konden wij vanuit het raam boven de huizen uit zien. Regelmatig een accordeonspeler voor de deur en dan het geld uit het raam naar hem toe werpen. Draaiorgels waren er ook vaak en dan gauw naar buiten om het geld in het centenbakje van de orgelman te doen.

De Sloterplas was toch wel de plek waar we, als het even kon, naar toe gingen. We wisten precies waar mijn moeder zat, we hoefden alleen maar naar de afgesproken paal met een beest erop te gaan. De eerste hulp ontsmette de wond en deed er een dik verband op, het stuk ijzer wat dat diepe gat in mijn voetzool had geprikt, zat onderin de kuil die ik net gegraven had, het litteken zit er nog steeds. De lange rijen mensen tussen de metalen toegangshekken, de overvolle fietsenrekken, geen probleem, gewoon wachten tot je aan de beurt was of we het nu leuk vonden of niet, we wisten niet beter. Later ging je zwemmen aan de andere kant van de plas, dan koste het niets. Als je goed kon zwemmen mocht je naar de eilandjes zwemmen, anders niet verder dan de palen én natuurlijk niet vergeten bij de uitgang; dé ijscokar met de rollen ijs, een of twee klikken bepaalde hoe dik het ijs tussen de koekwafels zat.

 

De Koopmanschool was een streng christelijke school, maar de buurkinderen zaten op de openbare school De Vlugtschool en in plaats van Kerst- en Paasuitvoeringen, die altijd hetzelfde waren op de Koopmanschool, voerden ze daar de leukste musicals op. Ik kan mij op de Koopmanschool maar één keer een muziekles herinneren, van een oudere dame die met wat toeters en trommels een uurtje “muziekles” kwam geven.

Mijn jongere broers zijn toen van de Koopmansschool afgegaan naar de De Vlugtschool. Mijn zusje ging direct naar de kleuterschool bij deze school. Probleem was wel dat ze de drukke Vlugtlaan moest oversteken en dus bracht mijn moeder haar weg en haalde ik regelmatig mijn zusje op van school. Ook de keren dat ik haar van de manege op het Geuzeneiland ophaalde en met haar achter op de brommer, toen nog zonder helm, naar huis ben gegaan zijn niet te tellen. Kleine meisjes en paarden, daar stond ik dan te wachten tot de les was afgelopen, kijkend naar je zusje staande op de bil van het paard wat rustig in de bak rond galoppeerde.

Het gebeurde niet vaak, dat als mijn vader thuis was hij met ons op pad ging, maar dan gingen we meestal op zondag naar het Waterlooplein, tramlijn 13 voor de deur opstappen en dan lijn 9. Op een zekere dag, we woonden net in Slotermeer, dat mijn moeder zwanger van de derde ons, mijn broer en ik, met hem mee liet gaan. Hij ging op de Bos en Lommer een fles drank halen want op de Vlugtlaan zat toen nog geen slijter. Een fotograaf van een krant, die de opdracht had om het bord met de plattegrond van de nieuwe tuinstad Slotermeer te fotograferen en gedacht moet hebben dat een paar mensen erbij op een foto het beter doet dan een kaal bord. Zo kon het gebeuren dat wij, staande voor het bord bij de door koningin Juliana geopende brug, op een foto in de krant terecht zijn gekomen. De fles Jenever had mijn vader maar even onder zijn jas verstopt. Jaren later, bij het 50jarig jubileum van Slotermeer, is deze foto gebruikt voor de tentoonstelling in de Meervaart. Berend Boudewijn presenteerde het geheel en de levensgrote foto op posterformaat heb ik nog steeds.

Herinneringen kunnen natuurlijk over van alles gaan zoals; luilak vieren met belletje trekken en dan luilakbollen kopen bij de bakker. Met Oud en Nieuw héél vroeg opstaan om nog niet afgegaan vuurwerk te zoeken. Gevaarlijk? Daar dacht je niet aan, maar de gillende keukenmeid die de buurman boven ons vanaf zijn waranda afstak en naar ons gooide en tegen mijn lip aankwam deed wel behoorlijk pijn, maar gelukkig liep het met een sisser af en niet de sisser van die keukenmeid.

De pakjes leeuwenzegelboter werden nauwlettend in de gaten gehouden, voor de zegels kon je een Dinky Toy krijgen. Een witte ambulance, hoewel het woord ambulance niet tot onze woordenschat behoorde, gewoon ziekenauto was voor ons genoeg. Het autootje is niet meer aanwezig, totaal versleten weggegooid, kapot gespeeld.

Nu we bij een klein dorp op het platteland wonen, besef je pas wat een weelde het was om zoveel verschillende winkels en openbaar vervoer direct voorhanden te hebben. Natuurlijk heeft buiten wonen veel voordelen, maar vriezers en grote koelkasten had je in Slotermeer niet nodig, ook vandaag de dag niet. Elke dag vers brood met oude kaas, verse ham of lever met spekjes erop. Kaashandel Strijk op de Vlugtlaan was jaren lang hét adres daarvoor en de oude kaas was zo oud dat die niet machinaal gesneden kon worden en werd dan ook met de hand gedaan, met tweehandig halfrond mes en elke plak was zonder brokkelen even dik, vakmanschap. Als je wat verder de Vlugtlaan af liep kwam je de slijterij tegen, waarop de toonbank dikke pakken met vloeipapier lagen waarin de slijter de verkochte flessen drank in rolde. Dan doorlopen naar de visboer waar de levende paling in grote stenen bakken met daarboven een constant spuitende waterkraan zwom. De visboer maakte de paling ter plekke dood en schoon, zodat die thuis direct gestoofd kon worden. Verderop dan Blokker, waar ik voor Moederdag een klein cadeautje kon halen, een zandloper of een eierdopje of iets degelijks.

De eerste bril, eerst alleen om op het schoolbord te kijken, maar al gauw de hele dag nodig, kwam van opticien Visser op de Vlugtlaan, vlakbij, toch makkelijk hoor. De oogarts zelf zat achter de Slotermeerlaan, dr. Rappaport. “Daar is de moeder van die kippige familie”, placht hij met zijn Indonesische accent altijd te zeggen omdat alle kinderen een bril nodig hadden en mijn beide ouders niet.

Twee banketbakkers waren er, één op de Fockstraat naast de speelgoedwinkel van Splinter en één aan de overkant van de Vlugtlaan en op de hoek van de Fockstraat en de Vlugtlaan kantoorboekhandel Haveman. Daarnaast de Indonesische toko en verderop groenteman Kroon en de melkzaak van de Boer. De kinderen de Boer zaten ook op de Koopmanschool.

Voor gereedschappen en dergelijke moesten we bij de ijzerwarenzaak, later Jan van de Broek, zijn, voordat hij verhuisde naar iets verderop op de Vlugtlaan en op de hoek nog een groenteman, meestal haalde we daar de groente of natuurlijk op de markt. Aardappels kocht mijn moeder per 15 kilo en die kocht ze van een aardappelman uit Zwanenburg die met zijn vrachtwagen aan de deur kwam. Ook de schillenboer kwam regelmatig langs met zijn paard en wagen en dat paard lustte wel een oude boterham. Het krantje wat onder in de schillenemmer zat trok de schillenman er tussen uit en keek goed of er geen aardappelmesje meer tussen de schillen zat. Later begreep ik dat de schillen, als varkensvoer, naar de boeren in de omgeving gingen. Ik mag natuurlijk niet vergeten om de Spaarbank van de Stad Amsterdam te noemen, waarvoor wij netjes in de door de bank verstrekte spaarpot, centen, stuivers en dubbeltjes deden. Als die vol was bracht je die naar de bank en dan werd de spaarpot opengemaakt en het geld in een muntentelmachine gegooid, geteld en bijgeschreven op je spaarbankboekje.

Achter hotel Slotania aan de Slotermeerlaan, zat een bioscoop en hoewel wij vaker naar de Cineac in de stad gingen, zijn we toch ook wel naar die bioscoop geweest, de film Rin tin tin kan ik me nog herinneren.

De bus naar Zandvoort stopte voor de deur, overstappen in Haarlem op de Tempeliersstraat en dan naar het strand, de Kennermerduinen of de Waterleidingduinen. Ook het strand van IJmuiden was met de bus van voor de deur te bereiken. Station Sloterdijk, het oude natuurlijk, daar liepen we naar toe en dan de trein naar Zandvoort. Als het even mooi weer was dan gingen we er met z’n allen op uit.

Een enkele keer haalde we wat oude kranten in de buurt op, om die dan snel weg te brengen naar geuzenveld, naar Eppi Vlug de voddenboer. De padvinderij, de Ludwig Nommensegroep, in een garage vlakbij mijn grootouders die in de Oltmanstraat woonde. Iedereen ging naar de padvinderij, dus ook wij. Mijn oudste broer heeft het nog tot verkenner geschopt, maar welp was voor mijn meer dan genoeg. Het “jip, jip, jip, Akela wij doen ons best, woef”, was aan mij niet zo besteed. Op de Vlugtlaan zat ook een winkel in sportartikelen, daar kwamen het shirt en de broek vandaan die verplicht waren voor de gymnastieklessen op school. Ook de uniformen voor de padvinderij kon je daar kopen. Het petje met de wolf erop, de kniekousen met een kwastje, shirt en natuurlijk de onvermijdbare corduroy korte broek.

Als je ouder wordt worden je herinneringen, zeker wat de omgeving betreft, ruimer. Je gaat verder van huis. De herinneringen van de directe omgeving worden aangevuld met een veel grotere omgeving en indrukken die niets meer met de directe omgeving te maken hebben. Op een gegeven moment komt ook het moment dat je van de lagere school af gaat, naar het voortgezet onderwijs.

In mijn geval was dat de 4e technische school, de Ir. W. Maas Geesteranusschool, aan de postjesweg, de LTS en dat betekende, omdat ik tussen de middag gewoon thuis wilde eten, 4x per dag hetzelfde ritje op de fiets. Fockstraat, Gerbrandipark, Orteliusstraat helemaal uit, oversteken en linksaf naar de school. In de winter goed oppassen, want hoewel het in het park niet glad leek, kon het bruggetje over van Tienhovengracht verraderlijk glad zijn, menigeen is daar onverhoeds onderuit gegaan.

Na 4 jaar LTS naar de MTS de Hendrick de Keijzerschool aan de Wiltzanglaan, afdeling fijnmechanische techniek, 3 jaar en een stage jaar, ook lekker vlakbij. Een zoon van de familie Amesz van het Jacob Frankhof zat bij mij in de klas. Regelmatig mocht ik de poetsdoeken van het praktijklokaal naar de Linmij, de wasserij op Sloterdijk, brengen. Daar stonden mannen in overalls met hele grote houten spatels in grote hete wasketels te roeren, gooi het er maar bij, riepen ze dan. Daarna dan de onvermijdelijke dienstplicht en toen die over was, een baantje zoeken. Na 1,5 jaar had ik het voor gezien en ben op mijn kamer op het Jan Postmahof voor mijzelf begonnen, als uurwerkhersteller, tot ik in oktober 1978 samen met mijn vriendin in de Baarsjes een winkeltje begon.

Ook toen ik nog thuis woonde en werkte, fietsen en wandelen wij heel veel vanuit het Jan Postmahof, bijvoorbeeld een rondje Sloterplas en dan bij de kinderboerderij door het braakliggend land met prachtige rietvelden en dan via Geuzenveld dwars door Slotermeer weer naar huis of op de fiets naar de Hembrug, met de pont over en dan via Zaanstad, langs het Noordzeekanaal en de pont bij Buitenhuizen weer terug. Als er ijs lag, schaatsen op de Haarlemmertrekvaart naar Halfweg en terug, wel goed oppassen op de windwakken en op het zand waar de trein weer direct lang de vaart ging rijden, anders stond je zowat stil en had je botte schaatsen. Ook vanuit de Baarsjes was dit wel vaste prik, maar dan gingen we na gedane arbeid eerst op de 1200 Roe bij mijn schoonouders langs en dan nog even op het Jan Postmahof bij mijn moeder afzakken, voordat wij naar huis gingen.

Als je, zoals mijn moeder, bijna 60 jaar in dezelfde buurt woont, dan kan je gerust zeggen dat zij zich er thuis voelde. Zij wilde ook eigenlijk nog niet weg, maar het trappenlopen ging echt niet meer en daarom verhuisde zij naar het Bos en Lommerplantsoen. De overeenkomst tussen de twee woningen was, dat deze alle twee een ruim balkon hadden, maar ook heel veel licht binnen kregen van het ruime raamoppervlak en daar hield zij ontzettend van en zat als het even kon buiten op het balkon. 59 jaar Jan Postmahof en haar laatste jaren in Bos en Lommer typeerde ze altijd tot aan haar overlijden in 2020 met: Ik ben bevoorrecht, fijne lieve kinderen, heerlijk huis, fantastisch balkonnetje, heb een fijn leven gehad, ik ben gelukkig. Daarom hebben wij die tekst op haar grafsteen laten zetten. Ze wilde altijd op Zorgvlied begraven worden, maar toen er de mogelijkheid kwam om begraven te worden op Sloterdijk, wilde zij graag daarheen, “dan blijf ik in mijn eigen buurt”, zei ze en zo is ook gegaan.

Sondel, februari 2022

Alle rechten voorbehouden

55 keer bekeken

Geen reacties

Voeg je reactie toe