De duik

Zwemmen in de Osdorpergracht

Hoe een onverwachte zwempartij verstrekkende gevolgen kan hebben.

Samen in onze rubberboot

Samen in onze rubberboot

Alle rechten voorbehouden

Toen ik een jaar of zeven was, kregen mijn broer en ik een boot. We hadden onze zwemdiploma’s gehaald in het Zuiderbad. Nadat we een paar maanden lang iedere morgen om 7.00 uur in het water lagen en braaf oefenden – eerst droog, daarna aan het touw, en vervolgens alleen nog met de haak onder je arm – kregen we dat felbegeerde diploma.
En daar was ineens die boot: een oranje rubberboot, Apollo V. Bij elkaar gespaard met AH-zegeltjes (begreep ik later). Het was een stevige boot, sterk en betrouwbaar. Voor ons was het avontuur. Zomer. Vrijheid.
Vanaf dat moment voeren we regelmatig over de Osdorpergracht en gingen dan bij Hoekenes links richting Slotervaart, of rechts richting Geuzenveld.
Zo ook die ene warme dag. In korte broek en shirtje peddelden we bij Hoekenes de bocht om naar rechts, met de intentie naar Ookmeer te varen. Ik denk naar de molen.
De Osdorpergracht was toen al niet echt een gracht, maar een Amsterdamse sloot waar alles in werd gegooid wat men kwijt wilde: oude troep, huisvuil, en tussen het kroos zwommen de ratten hun eigen route. We peddelden rustig, tot plots een zwaan op ons afkwam. Niet zomaar een zwaan – een echte, dreigende zwaan, met gespreide vleugels, sissend, blazend en vastbesloten ons aan te vallen. Mijn broer riep iets, ik weet niet eens meer wat, maar we wisten: wegwezen!
We doken overboord. Het water in. Vuil water, bruin, modderig, vol leven dat je niet wilde zien. We zwommen naar de kant – mijn broer nam onderweg nog een peddel mee – en klommen beduusd het water uit. Daar zaten toevallig een paar meisjes, onder wie een klasgenootje van mijn broer, te picknicken op het gras. Ze schoven op, wij gingen erbij zitten, druipend tussen de boterhammen met hagelslag.
De boot dreef verderop tegen de kant. Stoer als hij was, had hij de zwaan overleefd. Eén peddel stak nog in de ring. Snel trok mijn broer de boot op de kant en we kiepten hem om zodat het water eruit kon.
De zwaan hebben we niet meer gezien.
Nadat we een tijdje op de kant hadden gezeten, lieten we de boot weer in het water zakken, stapten in en roeiden terug naar het Groenpad, in het verlengde van de Notweg, waar we woonden. Alles leek goed gegaan. Onze kleren werden weer schoon en de boot was nog heel. Het drama was al snel vergeten.

Maar een dag of tien later werd ik ziek. Heel erg ziek. Mijn keel zwol op tot bijna dicht. Ik kreeg een abces dat slikken tot een kwelling maakte. En ook ademen ging steeds moeizamer. Onze huisarts – dokter Van den Berg – was een man van weinig pillen en veel vertrouwen in de natuur. Een huisarts van de oude stempel. Hij kende het hele gezin, kwam aan huis, keek niet alleen naar de klacht, maar naar de mens als geheel. Hij schreef pas antibiotica of andere medicatie voor als het écht nodig was. En: hij vertrouwde op het lichaam, maar ook op zijn klinische blik.
Hij greep direct in. Geen aarzeling, geen twijfel: dit was ernstig. En dat was het ook.
Alles leek op difterie, maar Van den Berg zag iets anders, namelijk het Epstein-Barr-virus, oftewel de ziekte van Pfeiffer. Hij schreef een enorme dosis penicilline voor. En rust, heel veel rust. Én hij kwam om de dag kijken hoe het ging.
Drie keer per dag moest ik twaalf pilletjes slikken, door een keel die geblokkeerd was en onbeschrijfelijk veel pijn deed. En daarbij voelde ik me ook nog eens hondsberoerd. Mijn vader pleegde kleine wonderen: hij plette de gele penicillinepilletjes tussen twee lepels, mengde ze met suikerwater en hielp me het weg te krijgen. De geur – muf, wee, onvergetelijk – ruik ik nu nog in mijn herinnering.
De impact van de Pfeiffer was enorm. Zes weken lang moest ik in bed blijven, tot alle symptomen van dat abces echt helemaal weg waren. Ik herinner me hoe beroerd ik me voelde als mijn moeder vlees ging braden. En ik herinner me de vreselijke bloedneuzen ’s nachts.

Maar het meest herinner ik me de leuke dingen.
Overdag in het bed van mijn ouders mogen liggen, zodat ik door de glazen wand kon zien wat er in de huiskamer gebeurde. Waterijsjes kreeg ik volop, omdat het hielp tegen de pijn en de zwelling. Onze oma kwam vaker vanuit Oost – Betondorp – met de tram, en nam van alles lekkers mee voor op de boterham tussen de middag. Als mijn broer weer naar school was, kwam oma op mijn bed zitten en las voor uit Harlekijntje, Pinkeltje of Jip en Janneke. En na school kwam mijn broer bij me op bed zitten en gingen we spelletjes spelen.

Na die periode mocht ik weer langzaam aan deelnemen aan het normale ritme van het gezin. Nog niet naar school, dat was nog te veel gevraagd. Maar opstaan, samen ontbijten, mee boodschappen doen met mijn moeder, of zelf wat spelen terwijl zij het huishouden deed. En als mijn broer dan ’s middags na de boterham weer naar school ging, moest ik naar bed. Meestal als hij dan thuis kwam uit school, was ik weer uitgerust en gingen we spelen. In de speeltuin bij Remijden, of knikkeren voor de deur. En dan deden er natuurlijk ook andere vriendjes en vriendinnetjes mee.
En in het weekend gingen we naar het bos of naar het strand. Frisse lucht, gezonde lucht, zoute lucht. Alles om mijn herstel te ondersteunen. We hadden toen gelukkig al een auto, een Volkswagen Kever. Naar het strand was dan Bloemendaal, en het bos was tussen Castricum en Egmond. En in het begin gingen we alleen ’s ochtends, later hele dagen.

Na een maand of drie mocht ik halve dagen naar school van Van den Berg. “Rustig aan proberen,” zei hij, en hij knikte van ja. Hij kwam niet meer om de dag aan huis, maar we gingen iedere twee weken naar zijn praktijk op Hoekenes. Op school – toen nog de Jac. P. Thijsseschool – merkten mijn ouders dat ik heel wat gemist had. Dat ik nog drie maanden lang slechts halve dagen naar school kon omdat ik ’s middags nog moest slapen, droeg daar natuurlijk niet echt positief aan bij. Die achterstand bleek niet alleen te komen door het lange ziek-zijn. Pfeiffer heeft een lange incubatietijd, soms wel een half jaar. In de periode voordat de Pfeiffer zich openbaarde, was ik al lange tijd moe en lusteloos geweest. En nu pas werden de gevolgen daarvan – wat leerprestaties betreft – duidelijk. Toen mijn ouders aan de juf van de klas vroegen waarom ze niet aan de bel had getrokken, omdat het al langer slechter met me ging op school, antwoordde ze dat ze niets gemerkt had omdat ik altijd zo lief en rustig in een hoekje zat te lezen.

Mijn ouders waren teleurgesteld in de juf, en hadden er ook geen vertrouwen in dat ze me voldoende zou begeleiden bij het inhalen van het gemiste schoolwerk. Ik zou dat jaar in ieder geval over moeten doen, en dan weer bij haar in de klas komen. Vooral dat heeft er mede toe geleid dat ik aan het einde van dat schooljaar ben overgestapt naar de Heimansschool. Dat was dan wel geen Montessori, maar ook niet helemaal klassikaal onderwijs. Ik kwam in een zogeheten duoklas en kreeg meteen twee hele goede vriendinnen. En met eentje ben ik nu – na 55 jaar – nog steeds bevriend.

Waar een domme duik in de Osdorpergracht al niet toe kan leiden ...
Nog jarenlang hebben we genoten van die Apollo-boot. We mochten niet de Sloterplas op, maar we hebben nog heel wat tochtjes gemaakt naar de molen bij Ookmeer. En ook later, toen we verhuisden naar Alphen aan den Rijn, ging de boot mee. We voeren over de Kromme Aar en het Aarkanaal.
En pas toen we allebei al op de middelbare school zaten en niet meer naar de boot omkeken, is hij meegegaan op vakantie naar Zuid-Spanje. We hebben hem daar achtergelaten, voor de kinderen van de strandtenthouder. Zij hebben er nog jaren plezier van gehad.

O, en over die wandelingen langs het strand en door het bos: Die zijn we blijven doen. Eerst nog lang met zijn vieren, en later, toen wij het huis uit waren, mijn ouders samen. En nu...

Heeft mijn broer een boot.
En ben ik boswachter.

Alle rechten voorbehouden

90 keer bekeken

Jan

Wat een verhaal !

Maudy,

Wat een verhaal. Pittig !

Dank je voor je ervaring.