In onze straat staan acht huizen van de hoek tot het schoolgebouw waar wij naast wonen. In het schoolgebouw is een distributiekantoor. Tijdens de bezettingsjaren probeert de ondergrondse zoveel mogelijk bonkaarten voor onderduikers te pakken te krijgen. In februari 1944 en juni 1944 pleegt de ondergrondse verzetsbeweging er overvallen op maar beide mislukken. Een van mijn eerste herinneringen uit die tijd is die aan de overval in juni 1944.
Vissersbol: glazen visnetdrijver
Ik zit in de achtertuin met met een vissersbol te spelen terwijl mijn moeder zich in de keuken bloot bij de teil staat te wassen. Haar verraste gil klinkt door het huis en wanneer ik omhoog kijk zie ik juist nog een paar benen over de schutting gaan. ‘s Avonds hebben mijn moeder en stiefvader het erover. Zij denken dat de overvallers via de fietsenstalling op 117 naar de achterkant zijn gevlucht, over de schutting naar onze tuin zijn gegaan en vandaar naar het achterliggende gebouw aan de Jacob van Lennepstraat.
Ik zit in de achtertuin met met een vissersbol te spelen terwijl mijn moeder zich in de keuken bloot bij de teil staat te wassen. Haar verraste gil klinkt door het huis en wanneer ik omhoog kijk zie ik juist nog een paar benen over de schutting gaan. ‘s Avonds hebben mijn moeder en stiefvader het erover. Zij denken dat de overvallers via de fietsenstalling op 117 naar de achterkant zijn gevlucht, over de schutting naar onze tuin zijn gegaan en vandaar naar het achterliggende gebouw aan de Jacob van Lennepstraat.
Ik hou van mijn stuk straat. Klimmen in de lantaarnpaal met gebogen krul, die voor de deur staat. Wanneer ik aan de dwarsijzers bovenin hang ben ik Tarzan, op de dikke rand in het midden een cowboy op zijn paard en wanneer ik onderaan de paal rond zwier met m’n voeten van de grond dan ben ik trapezewerker.
Voetballen met mijn vriend Toontje, die tegenover ons woont. “Diefie met verlos” met de kinderen die op dat moment op straat zijn. Kinderen, overal zie je kinderen. Op zwoele zomeravonden zijn ze langer buiten dan hun moeders willen, “ze moeten naar bed”.
De vaders, die thuisgekomen van hun werk uitzakken op hun stoel voor de deur, kijken met plezier naar de spelletjes die ze zelf nog maar een paar jaar geleden speelden. “Laat die jongens toch nog even”.
Ja, je hebt een gezin voor je het weet, voordat je het wil. In een tijd dat voorbehoedsmiddelen heimelijk en daarom niet of zelden worden gekocht. En wil je ze kopen, waar doe je dat dan, bij de winkel in gummiwaren, bij de agent van de Malthusiusvereniging? (noot 2025: voorloper van de NVSH: Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming)
In 1948 de eerste Olympische Spelen na de oorlog. Zomeravonden waarop we in navolging van de atleet Wim Slijkhuis rondjes hardlopen. Borgerstraat - Jan Pieter Heye – Kinker - Nicolaas Beets en dan het volgende rondje, en het volgende rondje en … eindeloos.
Het zalige gevoel als laatste te zijn overgebleven van jouw ploeg bij het 'jagen’: drie met krijt op de straat tussen de trottoirs getekende vakken, twee veilige vakken en daartussen het jachtgebied. Eén jongen begint als jager in het jachtgebied, de anderen moeten naar het veilige vak aan de overkant zien te komen. Iedereen die tijdens de oversteek meer dan drie tellen - hardop geteld door de jager - wordt vastgehouden moet in het jachtgebied blijven en bij de volgende overgang mee jagen. Wat een triomf om opzij duikend, los trekkend, terug springend en glijdend opnieuw de overkant te halen. Rode koppen en gescheurde blouses en wanneer je naar bed gaat onmiddellijk als een blok in slaap vallen. Drijfnat van emotie en vermoeidheid zonder wakker te worden van de geluiden van de oudere jongens die nog wat langer op straat blijven.
Mijn vriend Toontje woont tegenover ons boven het kruidenierswinkeltje van Juffrouw Witje. M’n moeder is geen klant van Juffrouw Witje, omdat die op bepaalde klanten neerkijkt - jonge vrouwen, die hokken deugen niet - maar waarschijnlijk meer nog omdat ze niet op de pof verkoopt.
Juffrouw Witje is de enige 'Juffrouw' in de straat, verder heb ik ‘tantes' en 'mevrouwen' om me heen. De 'tantes' zijn in de meerderheid, tante Jet op één hoog, tante Da op twee hoog links, tante Ger daaronder. Voor m’n gevoel zijn de huizen tot aan de tweede verdieping bewoond. Waarschijnlijk ben ik nog te klein om hoger te kijken. Ik ken niemand die op drie hoog woont … behalve Suze. Suze Roos, de naam alleen is al prachtig. Negen jaar oud met blond haar, mooier dan dat van de andere meisjes in de straat. Ze is niet vaak op straat. Ik weet wie haar vader en moeder zijn. Ik zie ze weleens met z’n drieën voorbij komen, maar ze horen niet echt bij de straat. Misschien zijn mensen die op drie hoog wonen toch anders.
Een hele zomer zou ik wel meer met haar dan met de jongens in de straat willen optrekken. Maar ik doe het niet,'t is en blijft tenslotte een meisje. Meisjes daar kan ik nog niet mee uit de voeten. Ik ontdek dat ze anders dan jongens zijn. In de diepe kast in m’n kamertje aan de straatzijde samen met Liesje een beetje griezelen in het donker, de deur op een kiertje en bloot aanraken. ‘s Avonds, na de wasbeurt in de teil, voor het raam m’n piemel laten zien aan Liesje en de andere buurmeisjes die op straat staan te giechelen.