Ik krijg bij een familiebezoek aan mijn grootouders in Engeland een prachtige rode metallic gelakte fiets, die van mijn jongste oom is geweest.
Wanneer Toon kort daarna ook een fiets krijgt rijden we samen in de straat. Veel verkeer is er niet, hier en daar een auto, soms een paard-en-wagen. In de Kinkerstraat rijden de trams, lijn 7 en lijn 17. Lijn 7 is de tram waaronder Toon zijn been verliest die zaterdagochtend als hij voor het eerst alleen het blok rond mag fietsen.
Het duurt maanden voor Toontje weer op straat verschijnt, eerst met een tot zijn dijbeen opgespelde broekspijp en later met zijn houten been daaronder. Ondanks dat been kan ie behoorlijk snel hinken. Bij het schoppen van een bal gebruikt hij de rubber knop onderaan het been. Als hij kwaad is schroeft hij die van zijn been af en gebruikt hem om je er mee op je kop te slaan.
De buurt wil iets voor Toontje doen en er wordt een collecte georganiseerd. De buurtvergadering vindt plaats in de ijssalon op de hoek. Ik zit op de grond, tegen de benen van mijn moeder. Tante Jet, Ome Dirk, Tante Da en alle andere buren zijn er. “Dat arme schaap, wat moet er van hem terechtkomen, hoe zal ie z’n brood verdienen?”
Besloten wordt dat Toontje een accordeon en een jaar lesgeld krijgt. Want alleen een invalide kan van de gemeente Amsterdam een vergunning als straatmuzikant krijgen. Z’n toekomst is verzekerd! Hij krijgt les, oefent en moet van zijn ouders af en toe zijn vorderingen aan de buren laten horen. Dan gaat ’s zondagsochtends de deur van het kleine balkonnetje op één hoog open, zet Toon zich met zijn prachtige rode, met parelmoer ingelegde accordeon op een keukenstoel en speelt. Tot op een dag een voorbijganger een stuiver naar boven gooit. Toon pakt de stuiver op, kijkt er naar, hinkt naar binnen en zet zijn accordeon weg. Hij zal hem nooit meer aanraken. Hij wil niet afhankelijk worden van fooien … Later is hij de horeca ingegaan.
Wanneer ik nu, in 2025, terugkijk op die tijd, dan zijn het vooral de verhalen die ik wist of hoorde over de mensen daar. De straat was ‘rood, er woonden voornamelijk communisten en socialisten, het huis was ‘revolutiebouw’, we waren niet rijk, maar ik was er gelukkig.
Wij woonden tussen de Nicolaas Beetsstraat en de Jan Pieter Heyestraat. Er waren in dat stuk vier winkels:
- Bakkerij Carels op de hoek van de Nicolaas Beets, waar wij ons brood kochten.
Wij woonden tussen de Nicolaas Beetsstraat en de Jan Pieter Heyestraat. Er waren in dat stuk vier winkels:
- Bakkerij Carels op de hoek van de Nicolaas Beets, waar wij ons brood kochten.
- Van Lier, de aardappel- en groenteman op de hoek er tegenover. Door hem verloor ik mijn geloof in Sinterklaas toen hij op 5 december 1946 pontificaal verkleed met zijn zwarte Piet bij ons langskwam en ik zijn schoenen herkende.
- De kruidenierswinkel van Aleida de Wit, door ons juffrouw Witje genoemd, op nummer 116. Juffrouw Witje moet met haar winkeltje maar weinig hebben verdiend want toen Toontje een jaar of dertien was hielp hij zijn bejaarde benedenbuurvrouw door spullen voor haar te halen bij de grossier in de Bellamystraat, bijvoorbeeld 3 pakjes margarine. Een standaard doos met 24 pakjes was te duur.
- De kruidenierswinkel van Aleida de Wit, door ons juffrouw Witje genoemd, op nummer 116. Juffrouw Witje moet met haar winkeltje maar weinig hebben verdiend want toen Toontje een jaar of dertien was hielp hij zijn bejaarde benedenbuurvrouw door spullen voor haar te halen bij de grossier in de Bellamystraat, bijvoorbeeld 3 pakjes margarine. Een standaard doos met 24 pakjes was te duur.
- Melkboer Lust op nummer 153 voorbij het distributiekantoor en de politiepost daar.
Dit stuk van de straat was niet anders dan waar wij woonden, alleen met de kinderen daar speelden wij niet. Jantje, de zoon van de melkboer kende ik van school. Zijn vader was keeper bij OSV, de Oostzaanse Voetbal Vereniging. Als je “Lust” heette dan kwam je uit Oostzaan en voetbalde je bij OSV, ook al was je melkboer in Amsterdam en had je een winkeltje in de Borgerstraat.
Dit stuk van de straat was niet anders dan waar wij woonden, alleen met de kinderen daar speelden wij niet. Jantje, de zoon van de melkboer kende ik van school. Zijn vader was keeper bij OSV, de Oostzaanse Voetbal Vereniging. Als je “Lust” heette dan kwam je uit Oostzaan en voetbalde je bij OSV, ook al was je melkboer in Amsterdam en had je een winkeltje in de Borgerstraat.
Bijzondere andere zelfstandigen waren Dirk Kersbergen en Berend Drenth. Kersbergen woonde op nummer 136 maar had geen winkel. Hij speelde met zijn poppenkast op de Dam. Drenth was de buurman die in 1951 naast ons op nummer 111 kwam wonen. Hij was als binnenschipper bij een ongeluk verlamd geraakt. Met zijn schippersklavier trok hij in een invalidewagen door de stad. Zijn programma begon hij altijd met ‘Berend Botje ging uit varen’.
Berend Botje ging uit varen
met zijn scheepje naar Zuidlaren
de weg was recht, de weg was krom
nooit kwam Berend Botje weerom.
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven
waar is Berend Botje gebleven?
Hij is niet hier, hij is niet daar
hij is naar Amerika.
Amerika, Amerika,
driemaal in de rondte van je hopsasa.
Het verhaal ging dat hij een kleinzoon zou zijn van Berend Berends Drenth*.
* Bron: Jan Berns en Ineke Stroucken beweerden in 1993 dat het zou gaan om Berend Berends Drenth (1808-1893) (met als veronderstelde bijnaam Berend Botje), een rijke katholieke reder en scheepsbouwer uit Oude Pekela die midden negentiende eeuw zijn wrakke schepen de Oostzee opstuurde om later, zodra de schepen waren vergaan, het verzekeringsgeld te innen. Niet deze Berend Drenth, maar de bemanning kwam nooit weerom. De bijnaam Botje zou naar de kleine geldstukken verwijzen, die Drenth hiermee verdiende (vlg. "botje bij botje leggen"). Het verhaal is gebaseerd op een familieoverlevering, die in 1965 door een anonieme achterkleinzoon uit Joure naar buiten werd gebracht. Ook de genealoog Jan Willem Sandker, die van Drenth afstamt, stelt dat deze de bijnaam Berend Bonkje had.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Toeval bestaat!
Begin mei 2000 kregen wij in Ulvenhout een nieuwe buurman. Na onze eerste ontmoeting hebben hij en ik ‘s avonds urenlang bij een glas wijn in de tuin zitten praten. De week erop kreeg ik van hem een exemplaar van het door hem samengestelde boek ‘Jukebox Heaven’ met op de eerste pagina een bericht: