In de jaren 50/60/70 hoorde ik mijn moeder regelmatig zeggen: “We leven deze week van het statiegeld”. Ze spaarde alle lege flessen op van ons en van opa en oma, die naast ons woonden in de Coltermanstraat. Van het statiegeld konden weer een paar boodschappen gekocht worden. Langzamerhand was er meer geld te besteden, maar … het bleef op de ‘Kleintjes’ letten. In die jaren was het ongebruikelijk dat een vrouw ging werken. De man zorgde voor het geld en de vrouw voor kinderen en huishouden. Voor mijn moeder gold dat ook, maar kleding maken voor een ‘prikkie’ bespaarde geld. Daardoor voelde zij zich nuttig. Door haar creativiteit kon ze goed op de ‘kleintjes’ letten.
Mijn moeder ging modehuizen af, keek naar kostuums, jurken en kinderkleding. In de Coltermanstraat maakte zij dat na op haar Singer-trapnaaimachine. Zo zagen wij, kinderen, er altijd volgens de laatste mode uit en zij zelf ook. Zij kon ook patroontekenen. Mijn zusje heeft enkele van haar gemaakte patronen -ingelijst - nog bij haar thuis hangen.
Mijn vader hield het maar bij gekochte kleding.
In één van mijn eerste stukjes vertelde ik over de Lapjesmarkt in de Westerstraat op maandagochtend. Zo was ik er bij dat er een hele bak stond met allemaal losse broekspijpen in verschillende maten, door elkaar heen. Zij griste net zo lang in die bak, tot ze vier broekspijpen, boven-en-achterkanten en andere benodigdheden in mijn maat bij elkaar had. Uit een bak met ‘merk-labels’ viste zij ‘originele’, van toen populaire merken, op. In modezaken in de PC. Hoofdstraat, keek ze daarna op welke plek op de broek die merken bevestigd waren. Thuis aangekomen, werd mijn ‘patroon’ op tafel uitgelegd en werd getoetst of de gekochte losse delen van de pijpen en andere broek-onderdelen klopten met mijn maat. Vervolgens ging mijn moeder achter haar Singer trapnaaimachine zitten en naaide de broek in elkaar. Ik moest herhaaldelijk passen en uiteindelijk was het goed. Daarna werd het ‘Merklabel’ op de juiste plek genaaid en … klaar was de ‘Haute Couture’ broek.
Ik weet nog precies wat die broek kostte … zeventig cent! (In de gulden tijd).
In mijn studietijd en toen ik daarna leerkracht was in het basisonderwijs, maakte ze ook mijn kleding. Vaak riepen vrouwelijke collega’s: “Ik wil wel een jurk van je moeder”. En dan maakte ze ook jurken voor hen. Zelfs leerlingen zeiden wel eens: ”Mees ( Meester), waar heeft u dat gekocht?”.
Mijn moeder was coupeuse en wat voor één: een creatieve!