Hallo allen!
Ik was ongeveer 4 jaar oud toen ik aan het Arend Bontekoeplantsoen in Slotermeer kwam wonen, op nummer 8 helemaal boven. In het huis was het in de zomer bloedheet en in de winter vriezend koud. Van isolatie en dubbel glas was geen sprake.
Het eerste wat bij mij opkomt is op het balkon staan en sneeuw zien vallen. Voor degenen die mijn eerste verhaal niet hebben gelezen; ik ben in 1966 op mijn 2e vanuit Indonesie naar Nederland gekomen. Het zou kunnen zijn dat ik tussen mijn 2e en 4e eerder sneeuw heb gezien, maar die keer op mijn 4e staat mij glashelder bij. De verwondering en het proberen om sneeuw te vangen met mijn tong.
Omdat er meerdere kinderen van Indische komaf in de straat woonden was het makkelijk om vriendjes en vriendinnetjes te maken. Het was niet zo dat ik niet met Nederlandse kinderen wilde spelen, maar zij gingen ons uit de weg. Ik weet nog dat een jongen zei dat hij van zijn vader en moeder niet met ons mocht spelen. Uitzondering was Liesje die beneden mij woonde en waar ik, als enige, soms in huis kwam spelen. Ze kwam echter bijna nooit buiten. Ach, als groep kleuters begrepen we niet waarom er niet met ons mocht worden gespeeld en het kon ons eigenlijk ook helemaal niets schelen, we hadden altijd de grootste lol met elkaar.
Het plantsoen, bestaande uit een grasveld en struiken en bomen aan de achterkant, was toen niet omheind met hekwerk. We waren dus elke dag op het grasveld aan het spelen en in de struiken wanneer we verstoppertje deden. Dan werd er weleens geschreeuwd door mensen van het Sape Kuiperplantsoen. Hun achterzijde keek uit op 'ons' plantsoen. Mijn favoriete spel was stoepen. Er waren nog maar weinig auto's en de weg voor de deur was smal genoeg voor ons om met een bal te proberen tegen de stoeprand aan de overkant te kaatsen. Ondanks ons dagelijkse spelen in het plantsoen werd er niets vernield en zag alles er altijd onberispelijk uit. Ik herinner mij de planten, struiken en bomen: blauwe geraniums, gouden regenbomen, rode rozen- en Japanse sierkweestruiken waar vruchten aankwamen die we gebruikten om elkaar te bekogelen. Ouderwetse beplanting die je bijna niet meer ziet. Aan de kant van de Jan de Jonghstraat werd het plantsoen afgegrensd met een ligusterhaag. Ik zal de unieke geur van bloeiende liguster nooit vergeten. Ook nu nog, wanneer ik in de zomer langs een bloeiende ligusterstruik loop en die geur ruik dan ben ik terug in de tijd en zie ik ons groepje onbezorgd rennen en spelen in 'ons' plantsoen.