In de zomer van 1974 verhuisde ik van het Arend Bontekoeplantsoen in Slotermeer naar de Jephtastraat in Bos en Lommer.
Natuurlijk wist ik dat de verhuizing eraan zat te komen, maar toen het zover was voelde het toch nog onwerkelijk en wilde ik helemaal niet. Over gevoel werd bij mij thuis niet gesproken, dus hield ik wijselijk mijn mond maar. Omdat de verhuizing in de zomervakantie plaatsvond kon ik geen afscheid nemen van de jongens en meisjes uit de straat, ze waren allemaal weg op vakantie.
De Jephtastraat in Bos en Lommer
Door: Beeldbank van het Stadsarchief
De Jephtastraat bestond/bestaat uit twee huizenblokken met daar tussen het Lidewijdepad. De nieuwe woning was groter, één verdieping lager en was op de hoek van het 1e huizenblok waardoor het uitzicht naar drie kanten was. Er waren tuinen tussen de gebouwen van de Jephtastraat en die van de Gulden Winckelstraat. Deze tuinen waren veel groter dan het plantsoen waar ik aan gewend was, prachtig aangelegd en, waar ik al snel achterkwam, streng verboden om in te komen!
Ik was gewend aan aardige buren, maar merkte al snel dat op het nieuwe adres dingen heel anders waren. Het waren allemaal oudere mensen die heel duidelijk lieten blijken dat ze niet blij waren met nieuwe buren afkomstig uit een ander land (en nu druk ik mij heel netjes uit). Met name de buurvrouwen helemaal beneden waren altijd aan het roddelen. Ik heb vaak genoeg gehoord wat ze zeiden, maar ik was te beleefd om iets terug te zeggen, het waren tenslotte oudere mensen en ik was pas 10 jaar oud. Thuis iets vertellen had geen zin en ik was nog jong genoeg om het van me af te laten glijden. Pas jaren later, toen ze merkten dat ik niet te beroerd was om met dingen te helpen zagen ze in dat hun vooroordeel niet terecht was. Ik bood aan om het sneeuwvrij maken van de stoep in de winter over te nemen van één van de roddelbuurvrouwen en bracht wekelijks de vuilniszak van de oude buurvrouw die boven ons woonde, en die mij in het begin altijd vuil aankeek, naar beneden. Dit deed ik niet om een wit voetje te halen, het was een kleine moeite en iets wat voor mij vanzelfsprekend was.
Na de zomervakantie van 1974 ging ik naar de 5e klas van de lagere school. Pas op de dag dat het schooljaar begon hoorde ik naar welke school ik ging en moest ik nog zoeken waar die school precies was! Ik kende de buurt totaal niet, maar door het aan mensen te vragen was de school gelukkig snel gevonden. Het was de Klaas de Vriesschool aan de Leeuwendalersweg en het Flierefluiterpad, een zogenaamde H-school.
De Klaas de Vriesschool in Bos en Lommer
Door: Beeldbank van het Stadsarchief
Twee gebouwen van baksteen met ertussen een gang van voornamelijk glas die de gebouwen met elkaar verbond waardoor het een H vorm heeft. Op het kleine, met een hek omheinde, schoolplein stonden bomen. Het zag er zo anders uit dan de lagere school die ik gewend was dat ik het gevoel had dat ik op een soort dorpsschool was beland. Het liefst was ik linea recta omgekeerd en naar huis gegaan. Gelukkig waren de kinderen verwelkomend waardoor het wat beter ging met de zenuwen. Toen het tijd was om naar binnen te gaan en ik voor het eerst de glazen gang instapte rook ik een geur die ik sindsdien associeer met de Klaas de Vriesschool; de intense citroengeur van grote citroengeraniums die in potten in de gang stonden. Twee jaar lang heb ik meester de Boer als leraar gehad. Ik hoorde hem tegen de juf van een andere klas zeggen “ik heb een nieuw 4-tje in de klas”. Later ontdekte ik wat dat betekende. Het had betrekking op de maat van de tafel en de stoel. Een 4-tje was de kleinste maat die normaal gesproken voor kinderen uit de 1e klas bestemd was. Wat had ik veel in te halen! Ik kon natuurlijk lezen en schrijven, maar had nog nooit van grammatica gehoord, dus toen mij gevraagd werd wat het onderwerp, het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp van een zin waren was het alsof er in een andere taal tegen me werd gesproken. Ook mijn rekenen rammelde aan alle kanten. Het is gelukkig allemaal goed gekomen, maar hieruit bleek wel dat het onderwijs aan de Noordmansschool ernstig tekortschoot. Meester de Boer was een hele aardige, geduldige man die goed kon uitleggen; geen geschreeuw en al helemaal geen gesmijt met deuren! Een verrassing was dat in de speelkwartieren we altijd naar de grote speeltuin aan het Flierefluiterpad naast de school gingen. Daar waren tuimelrekken, een klimrek, een grote glijbaan en schommels. Ook was er een groot veld voor de voetballiefhebbers. Het was een speeltuin waar je contributie voor moest betalen of een dagkaartje moest kopen, dus buiten schooltijd kon ik daar niet spelen. De naam van de speeltuin was Speeltuinvereniging Wiltzangh. Deze speeltuin, u raadt het al, bestaat niet meer. Een andere verrassing was dat ik nog een keer schooltuintjes ging doen! Op precies dezelfde locatie als het jaar ervoor en ik vond het nóg leuker dan de 1e keer. Als we terugkwamen van schooltuintjes moesten we in een speciaal schrift schrijven wat we precies hadden gedaan en er een tekening bij maken. Ik weet nog heel goed dat ik een compliment kreeg van meester de Boer en dat mijn schrift de klas rondging zodat iedereen kon zien hoe goed ik de bloemen had getekend. Het klinkt misschien vreemd, maar dat was de 1e keer in mijn leven dat iemand mij vertelde dat ik iets heel goed kon. Wat was ik trots!
Toen ik de buurt ging verkennen en de straatnamen zag was dat zo’n vreemd gevoel. Namen als Lidewijdepad, Wiltzanghlaan, Schaapherderstraat, Akbarstraat, Nannostraat, Piet Paaltjenspad, Flierefluiterpad, Baetostraat, Gulden Winckelstraat en Gulden Winckelplantsoen. Ik had het gevoel dat ik in een hele andere wereld terecht was gekomen. Zelfs de begroeiing was totaal anders; geen kastanjebomen en vleugelnootbomen, maar platanen. Geen Japanse sierkwee te bekennen, maar berberis en mahoniestruiken. Het was een wereld waar ik me helemaal niet thuis voelde. Ik wilde zó graag terug naar mijn oude buurt, de straat die als een veilige cocon voelde. Het was voor het eerst dat ik heimwee voelde.
Natuurlijk wende de nieuwe situatie uiteindelijk en maakte ik vrienden op school. Op woensdagmiddag vaak rolschaatsen, op de rolschaatsen die ik van mijn oma had gekregen voor mijn 6e verjaardag, met Harrie en Pim voor de school op het geasfalteerde plein of, als ik geld had gekregen van mijn oma, zwemmen met een groepje uit mijn klas in het Sloterparkbad. In de straat waar ik woonde kende ik echter helemaal geen kinderen. Ik veranderde van een heel extravert kind dat met iedereen praatte en speelde in een introvert stil kind dat meer en meer mensen uit de weg ging. Kwam het door de verhuizing op die leeftijd of zou de persoonlijkheidsverandering sowieso hebben plaatsgevonden? Soms vraag ik het me af ...
Jack Pouw