Mevrouw Schmitz: “Er was hier niks aan”

De eerste bewoners (en kenners) van Slotermeer aan het woord

Verteller: Mevrouw Schmitz
8 Fans

Pioniers noemen we ze. De allereerste bewoners van Slotermeer. Op 7 oktober 1952 werd ‘Tuinstad Slotermeer’ feestelijk door koningin Juliana geopend. Geuzenveld volgde enkele jaren later. De eerste bewoners en de kenners blikken de komende maanden terug èn kijken vooruit. Mevrouw Schmitz was de allereerste bewoonster aan de Johannes Poststraat in Slotermeer.

Mevrouw Schmitz Mevrouw Schmitz, eerste bewoner van Slotermeer

Mevrouw Schmitz Mevrouw Schmitz, eerste bewoner van Slotermeer

Alle rechten voorbehouden

Alles beter dan waar ze vandaan kwamen. Verschrikkelijk vond ze het inwonen in een woning aan de Vechtstraat, pasgetrouwd, in 1952. Mooie kamer, hoor, vertelt ze, maar met meer gezinnen — allemaal een gaspenning — in een huis en geen eigen keuken. Echt wittebroodsweken kende het jonge stel Schmitz niet. De aangeboden woning in de nieuwbouwwijk Slotermeer kwam dan ook, alhoewel klein en koud, als een geschenk uit de hemel. Een hoekwoning op de benedenverdieping; twee kamers. Over die tijd: “Er was echt niks hier. Er stond nog maar één rij woningen.” De buurt kenden ze vanwege de fietstochtjes naar Haarlem. Het was aan de rand van de stad.

Mensenmassa

De eerste novemberdag in 1952 betrokken ze de nieuwe woning. Een dag later, een zondag, stonden er rijen mensen rondom hun huis. Nieuwsgierige, eventuele toekomstige bewoners, die een kijkje kwamen nemen in de modelwoning boven echtpaar Schmitz. De gordijnen lieten ze maar dicht. Zijn ouders konden zich met moeite een weg banen door de mensenmassa om bij hun kinderen op visite te gaan.

Ze is een van de laatste pioniers in de straat. Schmitz wil niet weg. Prima wonen hier en wat een mooi uitzicht — veel groen — vanaf haar raam. Een nu lekker verwarmd huis. In het begin veel kou geleden. “We deden onze kleren uit bij de kachel en stapten dan snel het bed in. Het was een erg koude eerste winter. Het jaar van de watersnood. Openbaar vervoer was er nog niet. Je moest lopen vanaf het Bos en Lommerplein. Boodschappen deed je in de Jan Evertsenstraat. Pas na een poosje kwamen de eerste winkels. Een van de eerste was kruidenier Kramer.”

In de kelder

Op de kinderrijke trap hoorden ze — kinderloos - er niet echt bij. Toen later ook zij kinderen kregen — vier in totaal — werd het contact intensiever. Voor de jeugd een walhalla. Veel speelkameraadjes, veel ruimte rondom de huizen om tenten op te zetten en vadertje en moedertje te spelen. Stoke had een televisie. Daar verzamelden ze zich om naar tante Hannie te kijken. Maar een echte eensgezindheid onder de pioniers kan Schmitz zich nu niet herinneren. Heimwee zeker ook niet. Het was een drukke tijd. Werken, opvoeden en om je heen werden de woningen de grond uitgestampt. Hard werken, want met een huur van zo’n veertig gulden per maand op een inkomen van honderdenveertig gulden… Echt pionieren was het wel. De kleuterschool was een klein gebouw vlakbij hun huis. De kerkgangers vonden onderdak in de kelder van de kruidenierszaak.

Na het derde kind in het gezin Schmitz werd het toch echt te krap in de kleine benedenwoning. De woonurgentie voor een grotere woning in nieuwbouwwijk Slotervaart werd afgewezen. Maar een huis op dezelfde trap op één hoog bracht uitkomst. Helaas een nogal goedhorende en flink klagende onderbuurman. Het eerste jaar, in afwachting van een betere vloer, bracht het gezin dan ook meer in de slaapkamer door. Wachtend op de reparatie zakte ze een keer door de keukenvloer heen. De buurman zag haar been hangen.

Veel contact met de buren is er tegenwoordig niet meer. Even knikken naar elkaar. Maar toch, de buren helpen haar, bijna tachtig jaar jong, vriendelijk. Zij legt de kranten voor de bewoners boven haar op de trap. Over de mensheid in het algemeen is ze minder te spreken. “De mensen zijn veranderd. Gooien hun rotzooi zomaar op straat. Hebben niks meer voor elkaar over.”

Gehecht

Over de toekomst: “De kinderen zeggen dat ik zelf moet bepalen hoelang ik hier wil blijven wonen. Moeilijk, hoor. Ik ben nog zo gehecht aan mijn huis. Kijk, dat is toch een prachtig uitzicht.” Voor haar raam aan de achterzijde een metershoge boom. Ja, die heeft ze nog — zo’n veertig jaar geleden — als sprietje gekend. Nu reikt de den tot aan het dak. Als de tijd komt dat ze naar een bejaardentehuis zal gaan, zal het zeker in de buurt zijn. En de stad krijgen ze haar zeker niet uit. Gehecht aan Amsterdam, gehecht aan Slotermeer. Een tuinstad die ze heeft zien groeien.

Alle rechten voorbehouden

584 keer bekeken

Geen reacties

Voeg je reactie toe