Dieren lief en leed in de Coltermanstraat

Auteur: Frans Serné
Geuzenveld

In een vorige column schreef ik over de goudvissen in hun kom op het harmonium, daar regelmatig uitsprongen en belandden op de grond achter het harmonium.
We hadden later in de jaren 60 ook een klein acquarium met guppen, goudvissen en kikkerdril. De goudvissen aten de guppen op en uit de kikkerdril ontwikkelden zich kikkers die mijn moeder door het toilet spoelde, onder het uitroepen:”Ik moet geen kikkers in mijn huis”.
Op zeker moment kreeg ik voor mijn verjaardag twee Zebravinkjes, die in een miniscuul kooitje in de kamer opgehangen werden. Wij, kinderen in de lagere schoolleeftijd, moesten hiervoor zorgen. Later kwam er in de huiskamer een volière bij, getimmerd door mijn opa die timmerman was, met onder andere Mozambiquesijsjes. Ook nu was de schoonmaak onze taak, we een tijdje vol hielden, totdat de aardigheid er van af was. Mijn moeder nam toen die taak over en ging met grof geweld, met de stofzuiger over de bodem van de kooien, terwijl de vogels nog in de kooien zaten. De vogels vlogen tegen het gaas op, maar de kooi was schoon.
Het bleek, dat de nageltjes van die vogeltjes geknipt moesten worden, omdat een van die beestjes vast zat in het gaas. Wij hadden een oom, duivenmelker, in de Bentinckstraat (Staatsliedenbuurt). Die zou de nageltjes knippen. Deze oom was spastisch en niet zo vast ter hand. Hij knipte de nagels van de vogel, maar knipte te ver en verdraaide het pootje waardoor het dier voortaan een lam pootje had.
Tijdens de zomervakanties, als wij als gezin weken op vakantie waren, zorgde mijn opa voor de vogels. Opa en oma woonden naast ons. Opa was een bouwvakker en had niets op met vogeltjes, maar deed zijn best. Bij onze terugkomst bleek dat er een vogel uit de volière ontsnapt was en dat opa dit dier achterna gezeten had met een theedoek. Het dier heeft lang rondgefladderd met een lamme vleugel.
Mijn vader hield van vissen en nam ons, kinderen mee naar de Alberdagracht. Wij moesten wormen zoeken en mijn vader deed ze aan het haakje. Na verloop van tijd had hij beet en er bungelde een grote karper aan zijn haak. Die wilde ik aan mijn moeder laten zien. Mijn vader knipte de vislijn door en deponeerde de karper met vishaakje in de bek, dubbelgeklapt, in een emmer. Trots liep ik met de gevulde emmer naar huis.
De karper heeft het niet overleefd.

Alle rechten voorbehouden

55 keer bekeken

Geen reacties

Voeg je reactie toe