Rijpgracht 42 (deel 2)

Auteur: Fred Fontijn
7 Fans
Bos en Lommer, Landlust

Fred Fontijn schreef een prachtig verhaal over zijn geboortehuis. Het zal deze week in drie delen geplaatst worden. Vandaag deel 2.

Uitzicht op de Bestevaerstraat Foto: collectie Fred Fontijn

Uitzicht op de Bestevaerstraat Foto: collectie Fred Fontijn

Alle rechten voorbehouden

De brede stoep bij ons voor de deur nodigde uit om er te ballen. Dat kon ook gemakkelijk in die tijd. Boven onze gezamenlijke buitendeur had de architect een kittig overkappingtje bedacht, dat prima dienst kon doen als een soort korfbalmandje. Weliswaar op een hoogte die voor mij eerst aan de hoge kant bleek, waardoor de ballen regelmatig tegen de deur kwamen en dat was, als meneer Gevoel thuis was, verboden. Ook knikkeren mocht niet. Ik was heel fanatiek en veroverde doorgaans knikker na knikker op mijn vriendjes, maar ook dat mocht niet tegen de muur waarachter de familie Gevoel woonde. Misschien kwam het wel allemaal doordat meneer Gevoel ziek was, maar dat wisten wij niet. Er werd niet met elkaar gepraat. Pas jaren later bleek hij ongeneeslijk ziek te zijn. Toen mevrouw Gevoel mij dan ook eens vroeg, ik was een jaar of 14, 15, of ik niet meer vanaf 1 hoog in één keer van de trap af wilde springen, want de dreun bij het neerkomen was nogal hard, heb ik dat niet meer gedaan. Vlak voordat de buurman stierf werd ik als ‘beloning’ daarvoor, binnen gevraagd en stond ik voor het bed van een totaal onherkenbare man die mij zijn excuses aanbood omdat hij altijd zo narrig was geweest. Mevrouw Gevoel bleef na zijn overlijden nog jaren in het benedenhuis wonen, na verloop van tijd kregen we de familie Gerber als nieuwe buren. Zij woonden daarvoor net om de hoek in de Gerard Callenburgstraat.

Op 1-hoog woonde de familie Fokkens, aan de tongval van buurman Fokkens is altijd te horen gebleven dat hij uit het Noorden kwam, ook de buurvrouw kon niet verbloemen dat ze van Duitse afkomst was. Jan en Harry waren hun zonen, die ouder waren dan mijn zus Betty waar ik al 8 jaar mee verschil. Van beide weet ik weinig, voornamelijk door het leeftijdverschil. Jan moet wel een jaar of twintig ouder zijn geweest, hij ging als soldaat naar Indonesië, al voordat ik wist dat hij er was. Toen ik een jaar of 5, 6 was kwam hij terug. Jan had een motor en die stond imponerend bij ons voor de deur, misschien zelfs wel op de overloop. Natuurlijk was Jan onmiddellijk mijn grote held. Of het een halfjaar duurde of langer, ik weet het niet, maar Jan vertrok al weer snel naar Australië, hij emmigreerde. Nooit meer wat van Jan gezien, slechts verhalen van de buren.

Gepubliceerd: 23 september 2009

Lees ook deel 1 en deel 3 van dit verhaal.

Alle rechten voorbehouden

2198 keer bekeken

ingrid wouterson

Antillenstraat jaren 50 en 60

Ik ben in 1953 geboren in de Antillenstraat op nr 18. Een dag eerder werd mijn vriendin Anneroos geboren op nr 19. Nu meer dan 50 jaar later zijn wij nog steeds bevriend en delen onze herinneringen. Wij op nr 18 3 hoog woonden op de hoek. Er was geen balkon. Af en toe mocht ik bij Anneroos op het balkon spelen. Ik keek mijn ogen uit over al dat groen.
Bij ons op de zolder zat een groot gat in de muur achter het z.g. kolenhok Mijn Opa die nog bij os inwoonde vertelde dat het in de oorlog werd gebruikt om je in te verstoppen. Ik kende het woord verstoppen alleen maar van een leuk spelletje. Veel later begreep ik dat het waarschijnlijk voor onderduikers werd gebruikt. Ik herinner mij nog dat het draaiorgel door de straat reed. En de man met de bakfiets die altijd hard "voddoo"riep. Ik had geen idee wat dat betekende het klonk wel luid. Ik speelde veel met Anneroos en mijn zusje Yolanda op het Antillenplein. Ik kan mij herinneren dat er een man was die altijd aan het vegen was. Zat er geen grote klem op 1 broekspijp? Vaag staat mij bij dat hij maar 1 been had. Dan begrijp ik die grote bezem niet. Onder ons huis was de winkel van Swanink. Daar kochten mijn ouders de eerste koelkast, wasmachine t.v. engashaard. Ook mijnheer Swanink liep met stokken. Achter in de jaren 50 reed hij in een Volkswagen. Ik kan mij de 2 ruitjes in de achterkant nog herinneren. Hij heette Kever. Ik vond hem daar op lijken Alleen hij had ogen van achteren.Wij haalden de boodschappen bij van der Kluft de groentenboer bij de Boer de melkboer, Voortallen de drogist de Gruyter, de Coop en de Vana op de hoofdweg. Langzamerhand verschenen er meer auto's in de straat. Stoepie met de bal werd lastig. Het straatbeeld veranderde. Vroeger reed alleen de familie Tielkemeyer op zondag keurig gekleed met hoedjes op naar de kerk in de auto. Nu vertrokken zij bijna gelijktijdig met de familie Prins, die In het spierwit gekleed waren met tennisrackets in de hand naar de tennisbaan. Een uurtje later gingen wij 's zomers met korte broeken en plastic schoenen naar beneden. Ook wij hadden een auto,een fiat 500. Ons gezin ging dan een dagje bermtourisme doen. Wij zaten dan gezellig langs de weg ons te verbazen over het drukke verkeer.